Azië

Artikelindex

Donderdag 1 maartWandeling naar Pindaya

Het ontbijt is buiten in de zon. Binnen in het gebouw duurt het te lang voordat het aangenaam is. Om 7:00 uur breekt net de zon door op ons plekje. Ze hebben een tafel voor ons gedekt en een paar krukjes uit de school gejat. Vannacht was het koud, maar we hadden meer dan genoeg dekens.
We schrijven wat in het gastenboek, stoppen daar 2000 kyat in p.p. (het gangbare tarief volgens onze gids) als gift voor het klooster en gaan dan afscheid nemen van de abt en overhandigen hem het boek.
We nemen een andere route naar beneden, naar Pindaya, een steilere, die eigenlijk alleen maar naar beneden gaat. Sommige stukken dalen we wel heel snel af. We komen in een dorpje, niet meer dan wat huisjes, waar vooral veel stenenfabriekjes staan. Na drie uur zijn we bij het oude klooster van Pindaya. We kijken even rond en zien de monniken elkaar het hoofd scheren bij de wasplaats.
Het hotel is nog een half uurtje verder lopen, dat we aan de achterkant via de tuin binnengaan. Vooraan staat KuYe ons al op te wachten met de bagage. We krijgen een houten huisje, vrij ruim, mooi ingericht, met een terras met uitzicht op de grotten die hier vlakbij liggen.
Pal voor het hotel begint het terrein van het Paya Pwe-festival. Want dat is het, gisteren, vandaag en morgen, ter ere van de Shwe Oo Minpagode. Dit is ieder jaar zo eind februari, begin maart met volle maan. En dat is morgen. We vallen dus met onze neus in de boter. Het is een soort jaarmarkt met talloze kraampjes met van alles en nog wat. Veel etenswaren, snoepjes, drankjes, maar ook gebruiksartikelen. Het is er erg druk. Men spreekt amper Engels en de kinderen zijn nog niet verpest. Ze zwaaien alleen maar vriendelijk en zelfs 'hello mister' kennen ze hier niet. In het hele land is dat trouwens zo. Van heinde en verre komen de mensen naar het festival. Overal kuieren mensen, heel gemoedelijk. Dan ineens gaan veel vrouwen en kinderen langs de kanten van de weg staan, alsof er een optocht komt. Het zijn echter bedelmonniken, die in een enorme rij aan komen schuifelen. Hun gewaden zijn helemaal dichtgevouwen, geen blote armen en allemaal hebben ze een bedelnap en een pastic zak. De vrouwen langs de kant hebben hele tassen en schalen vol met rijst. Sommige hebben snoepjes, wc-papier, geld, drankjes. Iedere monnik, en het zijn er echt honderden, ook hele kleintjes, krijgt een schepje rijst, dat in de bedelnap gaat. Andere spullen gaan in het plastic zakje. Om de zoveel meter staan grote zakken waar de rijst uit de nappen wordt geschud, zodat er weer meer in kan. Balen en balen rijst halen de monniken op, die met een vrachtauto dat afgevoerd moeten worden. Het klooster heeft zo voor een heel jaar te eten. We hebben het idee dat de monniken de dingen in de plastic zakjes zelf mogen houden. Het is een echt spektakel. Al die schuifelende monniken op blote voeten en al die schepjes en handjes rijst die in die schalen gaan. Dit hadden we niet willen missen!
We gaan bij een kraampje zitten en bestellen een drankje. Het blijkt lycheesap te zijn. Men zet er een schaaltje loempia's bij en we proberen er allebei een. Twee flesjes en twee loempia's kosten samen € 0,50. We blijven ons over de prijzen verbazen.
Langzaam dwalen we verder en gaan dan naar de grotten. Honderden trappen, maar dan ook echt honderden trappen omhoog. Samen met honderden andere mensen. Meest Birmezen. Soms zien we een verdwaalde toerist. Wat een drukte. De grotten staan vol met honderden, nee duizenden Boeddhabeelden. Bij de laatste telling (niet van ons) kwam men uit op 8094. In allerlei soorten en maten en van allerlei materiaal. De laatste 200 treden moeten we op blote voeten. Als we bij de grot aankomen, vinden we het al erg druk. Als we weggaan, is het stervensdruk. Dat vindt men daar blijkbaar ook, want de toegangshekken worden tijdelijk gesloten. Als er genoeg mensen uit zijn, mogen er nieuwe in.
Weer terug in het hotel, gaan we lekker op ons terras zitten en luisteren naar de geluiden van het festival onder het genot van een biertje. We genieten. Het feest gaat de hele nacht door. We horen het wel, maar hebben er geen last van.

Vrijdag 2 maartNaar het Inle-meer

Om 9:00 uur vetrekken we naar het Inle-meer. Eerst noemt KuYe ons mee naar een parasolfabriekje. Een familiebedrijfje dat parasols maakt van Shanpapier. Het maken van die dingen ziet er erg simpel uit en ze doen het hele proces ons voor. Als we zo'n parasol kopen (zonder afdingen kost die € 2), zijn ze echt helemaal gelukkig.
Wij hebben overal geld zitten. In alle zakken en tassen. Hoewel we honderden briefjes kregen in het begin, gaat het er ook snel weer uit. Maar wat wil je als het grootste biljet maar € 0,65 waard is. We lopen met hele stapeltjes geld. We 'sparen' wel kleinere biljetten voor fooien e.d. want voor ons is 1000 kyat dan wel erg weinig, voor hier is het voor de meeste mensen veel.
We blijven tolhuisjes tegenkomen. Telkens moet er 100 of 200 kyat betaald worden. Soms nog meer. We gaan op weg naar het Inle-meer. Omdat het vandaag volle maan is en dus de laatste dag van het festival in Pindaya, gaan nog meer mensen daar naar toe. Wat een volk komt ons tegemoet. Vrachtauto's en tractors, helemaal, maar dan ook helemaal afgeladen, zien we aankomen. Het gaat erg langzaam, want de weg is smal en slecht. Als er een tegenligger komt, moeten allebei de voertuigen de berm in. En die is niet overal even goed. Maar we hebben alle tijd en zien op deze manier erg veel. Wat een mensen en wat een kleurige hoofddoeken dragen ze allemaal. Prachtig gewoon.
Over het weer hebben we het niet. Het is zonnig, strak blauw en warm. Dag in, dag uit. Eens in de vier à vijf dagen wijzen we elkaar: kijk een wolkje.Visser op het Inlemeer, MyanmarBij het Inle-meer stappen we over in een boot. Alleen wij tweeën zitten daarin voor de transfer naar ons hotel Paramount, dat op een eiland in het meer ligt. Overal zien we vissersbootjes, sommige roeien met hun benen, wat specifiek is voor deze streek. Het vissen gebeurt met enorme korven. Onze schipper vaart langzamer bij zo'n visser, zodat we foto's kunnen maken. De visser geven we hiervoor wat geld.
Drie kwartier varen is het. We krijgen een cottage, op palen gebouwd boven het water, met een terrasje aan de waterkant. Erg idyllisch. We nemen het er vandaag van, volgens plan, en gaan lekker buiten in de schaduw op ons terras zitten. Heerlijk.
We eten 's avonds in het hotel, een andere mogelijkheid is er niet. Zoals overal hebben ze een enorme kaart, met zowel Chinees als Birmees eten. Het personeel blijft altijd en overal achter je stoel staan, tot je wat gekozen hebt. En wat ons opvalt, is dat ze eigenlijk altijd alles van de kaart nog hebben ook. Het is niet druk, maar het is dan ook het einde van het seizoen. Hier kunnen we van alle schotels een kleine of grote portie bestellen. Wel zo handig. We nemen er anderhalf en dat is meer dan genoeg. Het is hier wel wat duurder, maar alles moet dan ook over het water aangevoerd worden. We zijn € 10 (15.000 kyat) kwijt. Nog altijd bijna voor niets, vinden we. En zoals altijd is het bier de helft van de rekening. Ondertussen heeft men de kamer nachtklaar gemaakt en hangt het muskietennet. We maken koffie en thee en drinken er een whiskey bij.

Zaterdag 3 maartInle-meer

Bij het ontbijt krijgen we zowaar warme thee. En worstjes. Heerlijk voor de verandering.
We willen vandaag met een boot verschillende dingen gaan bekijken. Maar de boot die ze ons aanbieden, moet maar liefst 20.000 kyat kosten. Het is wel een snelle boot, maar de bootsman spreekt geen woord Engels. We vinden het veel te duur. Maar ja, we zitten hier op een eiland, dus veel keus hebben we niet. De mevrouw van het hotel stuurt iemand naar het meest nabijgelegen dorp om te vragen of zij iemand beschikbaar hebben voor vandaag. Zij gebruiken de boten niet voor de toeristen, maar voor een keer willen ze het wel doen. 14.000 kyat kost het nu. Het is een langzame boot, maar dat vinden we wel best. Wij hebben geen haast. Eerst varen we naar een dorp op palen. Elk huis staat op palen en staat los van de buren. Dus als ze ergens heen willen, moeten ze altijd met de boot. Heel apart. Sommige huizen zien er goed uit, andere aardig vervallen. Het dorp ligt wel mooi tussen al het groen. Af en toe zien we een pagode. We varen door naar de markt van Nam Pan. De markt is een weekmarkt en wordt elke dag ergens anders gehouden. Om het wat lastiger te maken om te bepalen waar de markt is, heeft men hier weken van vijf dagen.
In iedere boot staan losse fauteuils en liggen er zwemvesten en paraplu's tegen de zon, de wind of het opspattende water. Er zijn nogal wat toeristen, hoewel er bij de markt veel weggaan als wij aakomen. Het begin is gevuld met kraampjes voor de toeristen: kettingen, kralen, schilderijtjes, maskers, enz., enz. Verderop is de groente- en huishoudmarkt. Hier lopen wat mooie vrouwen rond met vrolijk gekleurde doeken op hun hoofd. Eigenlijk valt het ons erg tegen. Erg bijzonder is het niet. Het is even zoeken naar onze boot, want het haventje ligt vol met boten. En ze lijken allemaal op elkaar. De plaatselijke bevolking komt er n.l. ook mee. Die boten zitten wat voller dan de onze. Voller met mensen en voller met boodschappen.
Daarna gaan we wat verschillende bedrijfjes langs: hoefsmid, weverij, sigarenfabriek, zilversmid. We krijgen overal een rondleiding en thee. Bij een souvenirshop zitten vijf padaungvrouwen (langnek) te weven. We maken snel wat foto's van hen, omdat we ze toch wel heel apart vinden.
En dan, midden op het Inle-meer in Myanmar, komen we een bekende tegen. De eerste Nederlander die we deze reis zien en die kennen we: een reisleider die we in 1998 in Centraal-Azië hebben gehad.
We varen naar het klooster met de springende katten. Aan de buitenkant ziet het er niet uit. Binnen ziet het er voornamelijk oud uit. Wel mooi. En ja, we zien de katten door een hoepeltje springen.
Weer terug bij het hotel nemen we eerst een biertje op het terras van het restaurant. Daarna houden we siësta.