Afrika

Artikelindex

Zondag 19 novemberNaar Mopti

Het is de hele reis al onzeker of we vandaag wel vliegen naar Mopti. Er is het afgelopen half jaar helemaal niet gevlogen, omdat er geen geld was om de Russische piloten te betalen. Gisteren tegen de avond zagen we ineens een heleboel landrovers richting vliegveld rijden en men zei dat het vliegtuig geland is. Als dat zo is, is er een grote kans, dat we vliegen. Anders wordt het een tocht (van vierhonderd kilometer) met auto's met vierwielaandrijving over de zeer slechte weg naar Mopti.
We moeten vroeg op, want je moet twee uur van tevoren aanwezig zijn. Het is er nog donker, maar om 5:30 uur komt er iemand en kunnen we naar binnen. Nu zitten we te wachten en te hopen dat we vliegen. We geloven het pas als we in de lucht zitten.Man, MaliWe vliegen met Air Mali dat we omgedoopt hebben in Air Maybe. En zowaar, we vertrekken prompt om 8:00 uur zoals gepland. Na een half uur zijn we al in Mopti. Later horen we dat dit de eerste vlucht was sinds lange tijd. En tevens de laatste: deze Fokker-27 schijnt niet meer betrouwbaar te zijn...
In het ons reeds bekende hotel in Sevaré gaan we eerst ontbijten.
Met de bus gaan we vervolgens naar de markt in Somadougou. Zondags is hier een grote Peulmarkt. En hij is prachtig. Alle mensen zijn even mooi en kleurrijk gekleed. Ze zijn ook erg vriendelijk. Er is geen enkele andere toerist. Als je alleen bent, is het moeilijk hier te komen, laat staan om weg te gaan. Bus en taxi's zijn er niet.
Op de terugweg bezoeken we de moskee van Soufouroulaye. Een enorm gebouw in een dorpje dat helemaal niks voorstelt. Het dorpshoofd leidt ons rond in de moskee. Zoals gewoonlijk krijgen we alle kinderen uit het dorp achter ons aan.
We gaan 's avonds met z'n tweeën eten in auberge Teranga. We zitten lekker in de tuin en het ziet er verzorgd uit. We bestellen visspies, spaghetti bolognese, groente en friet. Samen met de mayo die we nog hebben, smaakt het uitstekend. Het bier is ijskoud en we zijn 7.000 cfa (ƒ 21) kwijt met z'n tweeën.
Voor het slapen nemen we onze hallucinerende pillen in. Door de lariam dromen we heel vaak en vreemd, maar dat is dan ook het enige wat we er van merken.

Maandag 20 novemberNaar Djenné

Om in Djenné te komen, moeten we na twee uur rijden de pont over. Dit duurt even, want er kunnen maar zes (kleine) auto's, en/of ezels-/paardenkarren tegelijkertijd op. De kaartjes die we van de overtocht krijgen, lijken wel uitgeprikt, zoals bij ons op de kleuterschool gebeurt. De paarden worden uitgespannen en de karren moeten met mankracht de pont opgeduwd worden. Je kunt de pont niet op zonder natte voeten te krijgen. We mogen niet in de bus blijven, omdat het zonder mensen al lastig genoeg is om op de boot te komen. Er is een stuurhut op de pont, maar eigenlijk wordt hij bestuurd door een jongen bij de kleine buitenboordmotor.
Om 12:00 uur rijden we Djenné binnen. We vangen een eerste blik op van de oude stad die in zijn geheel op de wereldmonumentenlijst staat. Djenné ligt op een eiland in de Bani. De stad is uitgegroeid ergens tussen de negende en elfde eeuw. Het was een bloeiende stad in de veertiende en vijftiende eeuw: het was een belangrijke schakel in de transsahara-handel. Handelswaar uit het zuiden, vooral goud en ivoor, werd hier opgeslagen en met enorme pinasses naar Timboektoe gebracht. Daar vandaan namen ze stoffen en zout mee terug. Het heeft nu 8.000 inwoners. De laatste vijftig jaar ging het economisch slecht, waardoor er nauwelijks iets veranderd is en het op de wereldmonumentenlijst is geplaatst. Er mag niets meer veranderd worden zonder toestemming van de Unesco. Zelfs de open riolen in het midden van de straten moeten blijven zoals ze zijn.
Wij logeren in het kampement. Er zijn drie slaapkamers met douche en wij krijgen er een van. Er staan alleen tweepersoonsbedden in en daarom vallen alle niet-stellen af. We hebben dan wel mazzel, maar eigenlijk is het nog drie keer niks. Een kamer met een bed in het midden, aan alle kanten een halve meter ruimte en een fan aan het plafond.
Na een ijskoude cola wandelen we het centrum is. Djenné is maar klein, dus dat kan niet missen. Er is 's maandags Vrouwen, Maliweekmarkt en hij is geweldig. Het is een kakofonie van geluid, stemmen, geschreeuw en een explosie van kleuren. Iedereen ziet er goed uit, verzorgd, de mooiste kleren en sieraden. Vooral de Peulvrouwen lopen er schitterend bij met hun vergulde neusringen en oorbellen. We zien een paar vrij grote oorbellen, waarvan er niet veel meer zijn; de meeste mensen hebben ze begin jaren negentig moeten verkopen tijdens de grote droogte.
Het is enorm druk op de markt en soms is het dringen om ergens door te komen. Het grootste deel van de markt ligt aan de voet van de grote moskee. Hoewel het kampement erg vol is, zien we nauwelijks toeristen. Het is hier zo druk, dat die er helemaal in onder gaan. We gaan ergens rustig aan de kant in de schaduw zitten en laten het hele schouwspel op ons inwerken.
Bij Chez Baba gaan we wat eten: riz au graz (rijst met tomatensaus en groente) en frietjes. We ontmoeten er een Engelsman die zich serieus afvraagt, of alle Nederlanders ieder jaar verplicht een paar weken naar het buitenland moeten. Overal waar hij komt, zijn altijd horden Nederlanders.
's Avonds eten we in het hotel spaghetti met kip en schaap. Het schaap is lekker; aan de kip zit niet veel vlees. Maar het smaakt goed.

Dinsdag 21 novemberDjenné

Vrouw, MaliVoor het ontbijt gaan we wat foto's van de moskee maken, die nu mooi in de zon ligt. Daarna dwalen we door Djenné. Kleine straatjes die kriskras door elkaar lopen. Alle gebouwen zijn in Soedanese stijl gebouwd. Er zijn huizen met twee type gevels: de Marokkaanse (plat) en de Tukulorgevel (luifelconstructie met open voorportaal). We kijken bij de haven waar verschillende vissers met grote netten aan het vissen zijn en de vrouwen bezig met de (af)was. Er vliegen veel roofvogels rond. Bij het kampement stikt het van de gekko's. Je kunt ze heel dicht benaderen.
Het is een mooie stad, een veel mooiere architectuur dan we tot nu toe in Mali hebben gezien.
De rest van de dag doen we niet veel. We luieren en lezen wat. In het restaurant eten ze 's avonds couscous en daarom gaan wij naar Chez Baba. Hier nemen we spaghetti, frietjes en een vleesspies.

Woensdag 22 novemberNaar Ségou

Vandaag gaan we naar Ségou, de laatste lange reisdag. We verwachten dat we er om 15:00 uur aankomen, maar dat is o.a. afhankelijk van de pont waar we weer mee over moeten. Hier hebben we mazzel, want hij ligt klaar en we kunnen er meteen op en hij vertrekt gelijk.
Voor de lunch hebben we stokbrood met kaas, ui en tomaat besteld. De ui en tomaat bleken echter op en van de kaas is ook niet veel te proeven. Lia koopt bij een stalletje in de buurt wat tomaten en uien voor 50 cfa. Zo heeft het toch wat smaak.
Goed 14:00 uur komen we in het hotel in Ségou aan. We brengen onze spullen naar de kamer en duiken meteen het zwembad in. Het is het enige zwembad in Mali buiten Bamako en voor de Malinezen een ongelofelijke luxe.
Er is 's avonds een zeer uitgebreide menukaart met o.a. pizza, pannenkoeken, biefstukken, Italiaans ijs. Zoals gewoonlijk moet je dat bijtijds bestellen, zodat men boodschappen kan doen.

Donderdag 23 novemberSégou, Kalabougou

We varen met een pinasse in een uur naar Kalabougou, een pottenbakkersdorpje. Samen met de mensen uit Mopti maken ze zowat de hele pottenvoorraad van Mali. Hier schijnen ze de beste kwaliteit te leveren. Ze hebben een vaste weekindeling.: dinsdag t/m vrijdag maken ze de potten. Dat doen de vrouwen en de meisjes helpen mee vanaf vijf jaar. Op zaterdag en zondag worden de potten gebakken en op maandag verkopen ze ze op de markt. De vrouw van het hoofd van het dorp bepaalt hoeveel potten iedereen moet maken.
Op het water zien we weer veel verschillende vogels. Naast de zwartwitte ijsvogels waarvan we er al honderden hebben gezien, vliegt er nu een bonte met rode borst. Verder veel reigers, hamerkopvogels, riethanen, roofvogels en een enorme kudde drinkende koeien.
Bij de lunch nemen we een pizza en een lekker knapperig stokbrood met ham en kaas. Na de siësta wandelen we wat door Ségou, een 'wereldstad' met zo'n 90.000 inwoners. Het is drie keer niks. Het is vies, alle vuil ligt op straat en er is helemaal niets te zien. Bij een ander hotel aan de Niger drinken we een koud biertje. Altijd Castel, want Flag is lang niet zo lekker. Ze laten altijd het dopje op de fles zitten tegen de vliegen en vaak krijg je een viltje over je glas.
's Avonds nemen we vooraf tonijnsalade en daarna een pizza. Ondertussen is iedereen aan de mayonaise. Er komen steeds meer potjes op tafel.

Vrijdag 24 novemberNaar Bamako, naar huis

Voor het ontbijt hebben we stokbrood met ham en kaas besteld, want de jam komt zo langzamerhand onze neus uit.
We rijden terug naar Bamako. Het landschap wordt wat groener, meer bosjes en minder steppe.
Om 12:00 uur komen we aan en we krijgen een lekkere koude cola.
's Middags pakken we alle spullen goed in en lezen onze boeken uit. De berichten over het vliegtuig van vanavond zijn gunstig en zou op tijd kunnen zijn. Om 20:30 uur rijden we naar het vliegveld en nemen afscheid van Linette, Umar en Mutu, de chauffeur en zijn hulp. Het inchecken gaat vrij vlot en de terugreis ook.

Zaterdag 25 novemberNaar huis

Zonder vertraging komen we om 9:00 uur aan op Schiphol, waar we door Karen worden opgewacht.

Dit was een reis met